In oktober 1940 vaardigde de bezetter een verordening uit waarin een definitie werd gegeven van wie een Jood was, in overeenstemming met de Neurenberger rassenwetten. Volgens een verordening van 10 januari 1941 moest iedereen die als Jood gedefinieerd werd, zich laten registreren. Dat gold overigens ook voor iedere niet-Joodse Nederlander van 15 jaar en ouder. Iedereen moest een persoonsbewijs bij zich dragen. Zij die als Jood geregistreerd werden, kregen een ‘J’ in het persoonsbewijs, waardoor zij bij controle van de persoonsgegevens direct herkend werden. In heel Nederland lieten vrijwel alle Joden zich registreren. Op weigering stond een gevangenisstraf van vijf jaar. Er kwamen 160.820 aanmeldingen binnen: 140.552 Joden, 14.549 half-Joden en 5.719 kwart-Joden.
Na de registratie volgde de massale beroving. Lippmann, Rosenthal & Co., een kleine Joodse bank in Amsterdam, werd in 1941 in tweeën gesplitst. Bij de nieuwe vestiging (afgekort Liro) in de Sarphatistraat moesten Joden al hun geld onderbrengen. In mei 1942 volgden waardevolle verzamelingen en voorwerpen. Huizen van gedeporteerde Joden werden in opdracht van deze bank door de firma Puls leeggehaald. In Westerbork werden zij van hun laatste geld beroofd door vertegenwoordigers van de Liro. De bank, daarom roofbank genoemd, verkocht aandelen en bezit. De deportatie van de Joden werd met Joods geld gefinancierd.
De Nederlandse politie